Pagina 1 van 1

Boek 'toen ik bang was'

Nieuw berichtGeplaatst: di 29 okt 2013 23:16
door sas
Lieve Lotgenoten,

Hier het eerste hoofdstuk van mijn boek ‘Toen ik bang was’. (zie even voorstellen ‘toen ik bang was.) Het boek heb ik zo geschreven, zoals ik mijn fobie en de daarbij behorende therapie heb ervaren. Voor alle duidelijkheid, mijn gevoelens en gedachten zijn natuurlijk nooit dezelfde als van andere mensen met een fobie. Ik wil met dit boek ook absoluut niet zeggen dat mijn therapie de enige juiste is. Bij mij heeft het geholpen en ik ben er zeer tevreden over. Ik ben geen dokter, psychotherapeut of fobiedeskundige, maar gewoon een mens met een fobie. Dat is ook wat ik in 'Toen ik bang was' heb willen overbrengen. Ik hoop dat dit is gelukt.

Tot slot nog even dit: Alle lezers die een fobie hebben wens ik voor de toekomst net zo'n fobieloos bestaan als ik op dit moment ervaar. Mocht er iemand besluiten om ook in therapie te gaan wens ik hem of haar daar enorm veel succes bij. Indien je meer wilt lezen, kun je dit boek ook vinden in de bibliotheek en ook kopen op het Internet, zoals bijvoorbeeld de Hema, Bol.com, etc.

Liefs,
Sas


Samenvatting

Saskia, een moeder, echtgenote en employee bij de Spoorwegen had jarenlang last van paniekaanvallen. Haar fobieën ontwrichtten haar hele leven. Ze was bang voor liften, pleinen, bussen, drukte en alleen zijn. Ook was ze bang voor de dood. Op een dag besefte ze dat ze niet meer verder kon en ging ze op zoek naar een therapie die haar kon helpen. Saskia werd aan de hand van haar therapeut een andere wereld binnengeloodst. Een wereld van vermijdlijstjes, deelfobieën en gedoseerde blootstelling aan angsten. Een soort shocktherapie eigenlijk, waardoor ze langzamerhand weer grip kreeg op haar leven. Het gaat nu weer goed met Saskia. Ze heeft haar verhaal aan het papier toevertrouwd omdat ze zelf nooit een boekje heeft gevonden waarin ze haar problemen herkende. Ze wil hiermee een houvast bieden aan anderen die lijden aan een angststoornis en hun omgeving.

Recensie

Saskia van der Heijden – echtgenote en moeder en werkzaam als perronopzichter – lijdt al vele jaren aan hevige paniekaanvallen die haar leven volledig beheersen. Ten einde raad besluit zij hulp te vragen. In dit autobiografische verhaal beschrijft zij haar leven van augustus 2000-september 2001 en haar geleidelijke weg naar vermindering en beheersing van haar angsten. Een weg waarop zij veel steun ondervindt van hulpverleners over wie zij met grote dankbaarheid schrijft. Een vlot geschreven verhaal dat veel sympathie voor de hoofdpersoon opwekt en anderen een weg kan wijzen naar een leven dat niet uitsluitend door angst wordt beheerst. Met niet ondertekende inleiding en een terugblik van de schrijfster zelf, daterend van januari 2011. Pocketuitgave; normale druk. O.W. Dubois


Dit boek draag ik op aan
het kaasjongetje,
aan iedereen die vlucht voor zijn angst
en degenen die moeite doen
om zich in hen te verplaatsen.




Dinsdag 15 augustus 2000

Zevenendertig, achtendertig, negenendertig. In een waanzinnig tempo tel ik de keurig opgestapelde jampotten die links van de kassa op een stellage staan. Afleiding moet ik hebben. Veertig, eenenveertig. Verdomme, het baat niet. Alles wordt vlekkerig voor mijn ogen, waardoor ik de potten niet meer uit elkaar kan houden. Zelfs de gelei van rode kersen en de paarse massa van bosvruchtenjam worden samengevoegd tot een geheel. Een andere afleiding. Denken. Wat heb ik gisteren gegeten? Spaghetti. Eergisteren? Even denken? De rij aan de kassa schuift weer een stuk op. Broccoli met kip. De dag daarvoor? Het gaat niet goed. Mijn hart bonst als een bezetene en mijn mond is zo extreem droog, dat ik mijn lippen in allerlei bochten moet wringen om op die manier ietwat speeksel te verzamelen. Ik moet wat doen anders ga ik beslist flauwvallen. Iets kouds moet ik hebben, al was het maar aan mijn handen. Op die manier krijgt mijn lichaam een prikkel die mij doet beseffen dat ik tenminste íets van mijn zintuigen onder controle heb. Hebberig til ik het pak spinazie op, om zo net te doen alsof ik onder het bevroren pakje iets zoek. Niemand mag wat aan mij merken. De rij schuift weer op. Nog één klant en dan mag ik eindelijk de inhoud van mijn winkelwagentje op de band zetten. Het wordt steeds erger. Er is geen ontsnappen meer aan, ik zal sterven in een supermarkt met onbekenden om mij heen! Aan de ene kant is de gedachte, het gevoel, zó echt en dichtbij, maar aan de andere kant ook zó volslagen idioot dat ik veronderstel dat dit het is wat mij op de been houdt. Gelukkig, ik mag de boodschappen uit het winkelwagentje halen. Een heerlijke afleiding is dat. De handelingen die ik verricht zijn voor een toeschouwer waarschijnlijk normaal, maar de overdreven precisie waarmee ik de boodschappen op de band leg en de gemaakte vriendelijkheid tegenover het personeel zijn slechts toneel. Een stukje toneel om te overleven. Ik zorg er zo voor dat ik afleiding heb en dat de mensen die mij moeten helpen mij aardig vinden. Zij zijn ten slotte de personen die straks de ambulance moeten bellen. Opgelucht, maar vooral pisnijdig zit ik even later thuis op de bank. Het is weer raak geweest. De zoveelste paniekaanval heeft het weer gewonnen van mij. Waarom ben ik hier niet tegen opgewassen? Waarom ben ik er weer ingetrapt? Ik heb me alweer laten meeslepen. En waarom? Om niets. Alles is nu weg. Geen zwetende handen meer. Geen hartkloppingen meer. Weg angst. Het is telkens hetzelfde. Ik ben niet ziek. Ik ga niet dood. Ik ben kerngezond. Het zit tussen mijn oren. Wat ben ik weer zwak geweest. Een loser, een ongelofelijk slappe trut. Vol zelfmedelijden en lichtelijk vermoeid drink ik mijn thee. Met beide handen omklem ik de warme mok en al starend naar de woonkamer zie ik in dat het zo niet langer gaat. Stappen moet ik ondernemen. Maar welke? Deze keer moet ik het drastisch aanpakken, geen compromissen, geen pillen. Nee, ik moet er nu voor zorgen dat het nooit meer terugkomt. Maar hoe?

Mijn gedachten worden onderbroken door de telefoon. Het is Petra, mijn hartsvriendin.

'Hé, Sas ga je vanmiddag mee naar de stad? Ik moet nog een cadeautje kopen voor mijn ex-buurvrouw die volgende week jarig is en dan kan ik je meteen dat nieuwe winkeltje wijzen.'
'Waarschijnlijk krijg ik bezoek,' lieg ik.
'Ik kan niet, jammer.'

Petra weet wel van mijn paniekaanvallen, haar vertel ik lief en leed. Maar vandaag kan ik het gewoon niet opbrengen. Ik ben bang dat ze pogingen gaat doen om mij over te halen. Een eerlijk 'nee' van mijn kant zou uitdraaien op een dag vol zelfverwijt. Ermee instemmen zou hoogstwaarschijnlijk een dag vol paniek betekenen. Vandaag heb ik mijn portie wel gehad en blijf ik binnen. Misschien morgen, of toch maar niet? Ik besluit om vrijdag af te spreken. Dan heb ik nog drie dagen om sterk te worden. Na een uur slap ouwehoeren, waarbij we ons onder andere beklagen over onze kerels die naar onze mening geen fluit in de huishouding doen, hang ik op. Na dit uur ben ik alles vergeten, goedgehumeurd en weer in staat om de saaie dingen van het leven te doen: de huishouding.

Om half vier haal ik de kinderen uit school. Shelley komt als eerste uit school gerend. Zij is de jongste van de twee kinderen die ik samen met mijn man Rob heb. Shelley is vijf en haar broer zes. Hij is op de dag af zeventien maanden ouder. Zijn naam is Miko. Als we thuis komen, gaan de kinderen nadat ze een glas limonade gedronken hebben bij de buren spelen. Ik ga verder met strijken terwijl ik met een half oog naar de televisie kijk. Ik heb een pesthekel aan strijken. Het is een oersaai, sloom en altijd terugkerende ritueel dat ik haat. Wassen, drogen, strijken, wassen, drogen, strijken. Op de televisie is het al niet veel beter. Een zwanger tienermeisje koopt een kinderwagen en ze giebelt zo vreselijk irritant dat ik 'm snel afzet. Terwijl ik apathisch verder strijk, laat ik mijn gedachten de vrije loop. Wat ben ik bang geweest voor de bevalling. Ik had de laatste twee maanden nauwelijks geslapen. Ik had me druk gemaakt over een hyperventilerende bevalling met periodes waarin ik secondes lang in een flauwte lag. Draaiend met mijn ogen, badend in het zweet zou ik op bed liggen, maar niets van dit alles gebeurde. Ik beviel net als miljoenen andere vrouwen op de wereld, zonder paniekaanval, zonder angst, gewoon normaal.

Een klein beetje bijzonder was het wel geweest. Het was december 1993. Noord Limburg was in de ban van het hoogstaande water van de Maas. Tienduizenden Limburgers zouden de kerstdagen moeten doorbrengen in opvangcentra of bij familie. Het dagelijkse leven in Limburg was stil komen te liggen en het Maaswater had het ziekenhuis op een eiland doen belanden. Alleen echte spoedgevallen werden nog opgenomen en slechts de hoogst noodzakelijke operaties werden uitgevoerd. Te midden van dit tumult kondigde Miko zich aan. De vroedvrouw die mij thuis onderzocht vond het beter dat ik in het ziekenhuis beviel. Ze verwachtte dat Miko in een kruinligging lag. Met behulp van een huishoudtrap werd ik in een viertonner geholpen die mij met Rob vervolgens door het wassende Maaswater naar het ziekenhuis vervoerde. Achteraf bekeken was het hartstikke komisch. In de vrachtauto zaten ook twee jonge militairen. Ik schatte ze achttien, hooguit negentien jaar. Ik zie nog hun benauwde gezichten voor me, terwijl ik puffend tegenover hen zat. Toen ik uiteindelijk in het ziekenhuis arriveerde, werd ik meteen naar de kraamafdeling gebracht. Ik werd onderzocht en toen bleek dat de baby nog wel een tijdje op zich zou laten wachten moest ik maar kijken hoe ik de tijd doorbracht. Ik mocht in bed liggen, in bad zitten of op de gang lopen. Voor de eerste twee was ik veel te onrustig, dus zwalkte ik uren over de gangen van de afdeling. Het personeel van de afdeling kwam handen te kort, want buiten mij waren er nog drie andere vrouwen bezig met de bevalling. Het duurde dan ook behoorlijk lang totdat de zuster mij weer onderzocht. 'We gaan de vliezen breken,' zei ze en gehaast liep ze de kamer uit. De zuster holde van de ene verloskamer naar de andere, bij mij kwam ze echter niet meer. Toen het me na enige tijd te veel werd en ik haar hijgend vroeg wanneer mijn vliezen nu eindelijk werden gebroken, sloeg ze verschrikt haar hand voor de mond. Het arme mens had mij door de drukte compleet vergeten. Snel werden de vliezen gebroken en vrijwel meteen daarna werd Miko geboren. Aangezien het personeel maar mondjesmaat aanwezig was door de overstroming en doordat het ook nog eens kerstavond was, hoefde ik niet in het ziekenhuis te blijven. Het werd nog even spannend, omdat ik alleen maar weg kon als er een kraamhulp werd gevonden die mij en Miko thuis nog wilde verzorgen. Normaal gesproken had dat geen enkel probleem moeten zijn, nu lagen er door de overstroming echter ongeveer 1300 telefoonlijnen uit en waren er een heleboel hulpen telefonisch niet bereikbaar. Zo was het ook een heel gedoe geweest om mijn ouders op de hoogte te stellen van de geboorte van onze zoon. In hun straat stond het water tot aan de knieën en ook bij hen kreeg je geen gehoor. Een kennis is, gestoken in rubberlaarzen, door de stinkende drab naar hun huis gelopen en heeft hen het nieuws verteld. De terugreis van het ziekenhuis naar huis was een behoorlijk pijnlijke trip. Ik had namelijk tijdens de persweeën een erg droge mond gehad en daarna behoorlijk wat gedronken. Terwijl ik op de brancard lag in afwachting van een militaire ambulance, die mij naar de overkant van het Maaswater moest brengen, moest ik ontzettend nodig naar de wc. Ik lag anderhalf uur vastgebonden en kon geen kant op. Toen ik uiteindelijk thuis in mijn eigen bed lag, had ik een waanzinnig euforisch gevoel. Dit gevoel bleef niet alleen die dag en zelfs niet een paar dagen. Weken heeft het aangehouden. Ik was geen zieke vrouw, ik was een sterke vrouw. Een heel normale vrouw. Als ik dit kon, wat stelde dan die angst voor? Niets toch? Ik had het idee dat ik de hele wereld aankon. De herinnering aan dit laatste maakt me treurig. Waar was dat gevoel nou gebleven? De laatste tijd ben ik opnieuw zo zwak, bedenk ik. Ik ben helemaal niet meer sterk. Misschien ben ik wel ziek? Terwijl ik het laatste shirtje opvouw, merk ik dat mijn schouders helemaal stijf zijn. Ik ben weer helemaal gespannen, bah! Ik moet wat ondernemen, ik moet echt wat doen!

De avond is aangebroken, het is donker. Het duister beangstigt mij. Ik tel de uren voordat het weer licht wordt, elke dag opnieuw. In bed tel ik de uren totdat ik weer op mag staan. Ik tel de uren totdat ik naar de huisarts kan. Ook vandaag weer. Rob slaapt al. Het is op mijn wekkerradio 00.17 uur. Het rode licht van de wekker schijnt op mijn nachtkastje. Vanaf de overloop valt er een smalle streep licht de kamer binnen. Nog vijf uur en dan moet ik al weer op. Nog zes uur en dan is het licht. Nog acht uur en dan kan ik bij de huisarts terecht. Rob's ademhaling is nogal luid en of ik het wil of niet, automatisch neem ik het ritme van zijn ademhaling over. Mijn maag voelt onprettig aan. Mijn hoofd verhit. Ik trek mijn knieën op en klauter iets omhoog, waardoor ik half rechtop in bed zit. Morgen werken. Kan ik dat wel? Mijn vingertoppen tintelen. Natuurlijk kun je dat wel, je werkt er tenslotte al vijftien jaar. Ik praat mezelf moed in. Mijn shirt voelt klef aan en ik duw snel mijn laken een stuk omlaag om het wat koeler te krijgen. In mijn borststreek heb ik een beklemmend gevoel. Het lijkt alsof er bakstenen op me liggen. Het begin van een hartinfarct? Ik ga met een ruk voorover zitten. Ik hijg als een paard. Ik voel mijn hart bonzen in mijn maag en mijn bloed jaagt als een bezetene door mijn aderen. Mijn keel wordt dichtgeknepen door onzichtbare handen. Ik ga Rob wakker maken. Nee, toch maar niet, ik moet flink zijn! Paniek maakt zich meer en meer van me meester. Ik moet proberen rustig te worden! Hoe krijg ik mezelf in godsnaam weer rustig? Ik doe het lampje op mijn nachtkastje aan. Met beide handen omsluit ik mijn neus en mond en ik probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen. De aanstormende angst vertraagt wat. Uit het nachtkastje pak ik een flesje eau de cologne en spuit in allerijl enkele keren op een zakdoek. Het verleden heeft mij geleerd dat ik andere zintuigen moet inschakelen. Ik sluit mijn ogen en laat de geur tot mij doordringen. De geur heeft wat weg van pioenrozen. Ik snuif nogmaals in de geparfumeerde zakdoek en dwing mezelf tot concentratie op iets anders. Ik knijp mijn ogen stijf dicht. Ik stel me een tuin voor, begroeid met pioenrozen. De blaadjes zijn lichtroze, als de kleur van marsepein, en het waait zodat de rozen wat naar een kant hellen. Het ziet er uit alsof ze allemaal een kleine buiging maken. Helemaal achter in de tuin op een talud staat een enorm hoge ratelpopulier, die door de wind het geluid maakt als de zee. De zee neemt me deinend mee op een luchtbed naar exotische oorden en ik word getrakteerd op oogverblindende natuurverschijnselen. Spierwitte meeuwen vliegen voor me uit. Kwetterende dolfijnen duiken pijlsnel onder mijn luchtbed door en het water is zo kraakhelder dat ik sponzen op de bodem van de zee zie liggen. In de verte zie ik rook. Donkere kinderen springen in fluorescerende lendendoekjes rond het vuur. Waarom weet ik niet maar ik besef dat ik naar ze toe moet en ik gebruik mijn armen als peddels om ze snel te bereiken. Echter na vier of vijf slagen worden mijn handen ontzettend moe en als ik ze bestudeer bemerk ik dat ze onder de vlekken zitten. Rare witte vlekken. De meeuwen en de dolfijnen zijn spoorloos verdwenen. Ik maak nog eens drie slagen en merk dat ook mijn armen vol staan met deze rare uitziende vlekken. Ze worden alsmaar groter en dikker. Uit een van de eerst ontstane vlekken vloeit een kleurloze substantie en van het een op het andere moment begint het als een waanzinnige te branden. Logisch, brandblaren ik was me vergeten in te smeren met zonnebrandcrème. Ik moet gauw maken dat ik uit de zon kom. Ik merk dat mijn lip begint te zwellen. Als ik er met mijn vinger aan kom, voel ik dat mijn onderlip buitenproportionele vormen aangenomen heeft. Ik begin als een dolle te roeien, maar ik kom geen meter vooruit. Het water dat eerst zo helder was, is omgetoverd in een troebele massa. Ontelbare bruine slierten zeewier hangen aan mijn armen. Vol walging roei ik gestaag verder. De diep uitgesneden kloven in de bergen waar ik enkele minuten geleden zo van onder de indruk was nemen vervaarlijke vormen aan. Ik ben de wanhoop nabij. Ik begin te schreeuwen, maar terwijl ik schreeuw hoor ik ook een ander schril geluid op de achtergrond. Onmiddellijk stop ik met roeien en probeer te achterhalen waar het geluid vandaan komt. Het geluid komt dichterbij. Shit, het is mijn wekker!


Oké, voor de liefhebbers hier nog een stukje tijdens mijn therapie
'Daarom heb ik je ook een exposurelijst laten maken.'
'Wat voor een lijst?'
'Het lijstje met plaatsen en of situaties die je vermijdt.'
'Wat ga ik daar mee doen dan?'
'Je gaat proberen om elke situatie en of gebeurtenis die je nu moeilijk vindt of vermijdt, weer aan te gaan.' 'Dus mijn God.'

Ik besef nu pas wat ze zegt. Elke situatie of plek die ik op dat lijstje heb gezet moet ik gaan doen? Dat kan toch niet waar zijn! In gedachten loop ik het lijstje af. Vurig hoop ik dat ze heel hard: 'Grapje!' roept en haar tong uitsteekt. Maar niets van dit alles.

'We beginnen met de minst moeilijke situatie,' zegt Esther troostend.
'Hiep hoi,' zeg ik sarcastisch.
Esther schenkt mij een spaarzaam lachje en strekt haar hand uit, opdat ik het lijstje er in leg. Het papiertje trilt alsof het mijn huivering door wil geven aan Esther.
'Eens kijken.'
Ze strijkt het blaadje met haar rechterhand een beetje glad en legt het in het midden van het bureau zodat we het lijstje samen kunnen bekijken.

1. Bij V&D naar binnen (ook roltrap)
2. Groot plein oversteken.
3. Over de Maasbrug lopen.
4. Een mis in de kerk bijwonen.
5. Met de bus gaan.
6. In de bioscoop zitten.
7. In een lange rij wachten.
8. In een lift stappen.
9. Naar een concert gaan.
10. Een nachtje alleen weg.

Samen bespreken we het lijstje en ik zeg: 'Wat is nu eigenlijk de bedoeling? Moet ik nu gewoon een dezer dagen bij V&D naar binnen stappen en de roltrap op gaan? Dat kun je dus echt vergeten hoor. Ik weet niet of je bekend bent met het televisieprogramma Now or Never?'

'Ja, dan kun je toch een flink geldbedrag winnen als je iets doet waar je bang voor bent?' zegt Esther twijfelend.
'Precies. Nou, never dus! Geen spriet op mijn kop die daar aan denkt!'
'Je hoeft toch niet meteen die roltrap op te gaan. Je gaat eerst maar eens binnen vijf stappen zetten en als je dat te veel vindt, doe je er bijvoorbeeld drie?'
'Oh, werkt dat zo. Drie stappen stellen natuurlijk niks voor, vijf eigenlijk ook niet.'
'Kijk dat bedoel ik nou. Eerst begin je heel makkelijk en langzaam breid je het uit. Precies in je eigen tempo en op je eigen manier. Wat denk je, hoeveel stappen durf je aan?' 'Uh, een half rondje, maar dan moet ik ook weer terug. Dus ik kan er net zo goed een rondje van maken, op de begane grond wel te verstaan.'
'Als je dat kunt en aandurft, petje af hoor. Dat zou al een heel mooie prestatie zijn. De overtreffende trap is uiteraard als je helemaal op de bovenste verdieping een rondje maakt. Als je deze situatie hebt overwonnen moet je jezelf verwennen met een fijn cadeau.'
'Dat is toch al een cadeau. Ik geloof dat ik voor het laatst op de bovenste verdieping ben geweest toen ik zwanger was van Shelley.'
'Toch moet je iets leuks bedenken. Het liefst iets wat je nog graag wilt hebben en het moet ook echt iets voor jezelf zijn.'
'Ik zou wel een nieuwe tas willen, een leren. Deze valt van ouderdom bijna uit elkaar,' en ik til mijn tas omhoog om haar het bewijs te leveren.
'Zal ik dan noteren dat je een nieuwe tas koopt als je op de bovenste verdieping een rondje hebt gemaakt bij V&D?'
'Aha, dan zit ik er zeker aan vast? Ja, jij maakt het helemaal fraai! In plaats van al dat geld bij Now or Never wil jij mij iets laten doen voor een of andere lullige tas, die ik bovendien ook nog zelf moet betalen. Jij had geen psychologie moeten studeren, jij had autoverkoper moeten worden! Wat is het volgende, bungee jumpen?'
Ze lacht hardop, ze hikt er gewoon van.
'Nee, even zonder flauwekul. Het is goed, noteer maar: Sas koopt een nieuwe tas als ze op de bovenste verdieping van V&D een rondje maakt.'
Esther schrijft de zin precies op zoals ik hem gezegd heb.

De overgebleven vijf minuten praten we over de afgelopen week en over het buikvirus dat heerst. De vriend van Esther blijkt ook besmet te zijn geraakt. Als we bezig zijn de volgende datum te prikken komt ze met het voorstel om voortaan om de twee weken een afspraak te maken. Ik heb dan voldoende tijd om te oefenen. Ik vind het een prima idee want volgende week heb ik al een afspraak staan bij de bedrijfsarts en die oefeningen vergen meer tijd dan je denkt.

Op de terugweg vertel ik Rob over het verloop van mijn therapie.

'Hmmm shocktherapie, ik heb altijd al beweerd dat dit het beste is.'
Dat is niet eens gelogen, want Rob heeft in het begin verschillende keren tegen mij gezegd: 'Volgens mij moet je gewoon alles doen wat je eng vindt, shocktherapie dat is het beste.'
Weer iemand die zijn roeping heeft gemist.